Theseus

Theseus
Op mijn twaalfde verloor ik een horloge aan
de Egeïsche Zee. Doorgaans sleurt het wijn,
goede bedoelingen, raketjes en vakantieliefdes
mee, maar nee, ik verloor mijn vaders horloge.
Waterbestendig tot vijfendertig meter zal het
de eerste golfslag nog koppig hebben meegetikt.

Zend dat aandenken dan op z’n minst per fles,
zul je zeggen, zoals meisjes met glitters en vetkrijt
een missive over een eerste kalverliefde de zeestraat
over schreeuwen en voor jongens de daad zélf
belangrijk is, bovenhands aan de hals een boodschap
naar de overkant pasen en hopelijk een vogel uit de
vlucht slaan — meeuwengekrijs ontvangstbevestiging.

Mocht de drenkeling na twintig jaar nog aanspoelen
op een Grieks rotsstrand dan is het gedeukt, verder
gaaf wrakhout; geen gezouten rivierlijk aangevreten
door tijd en zeegras. Zoals een gebroken uurwerk
in film noir het tijdstip van de moord signaleert,
slibben op de datum en tijd van mijn vaders horloge
verbrande enkels, zandkastelen en familiefoto’s aan.

Ook dit gedicht werd voorgelezen op een boot. 

De Groote Tour

De Groote Tour
Toen was reizen nog voor de rijken, voor papkinderen
die met een gouden lepel in de mond specerijrijk aten,
in speciën betaalden voor medaillons met lobbige wangen
en op de beursgang stuivers tot florijnen verzilverden.
Men zei en hoopte graag dat het toch vormen zou:
dat een goeie tongval, fijne tred, op de kop getikte snuiftabakdoos
en her en der wat geschiedenis — lees: hoopjes rook en ruïne —
een cv wollig zouden aankleden voor een frisse toekomst.

Wat de buit was? Het herkennen van de plaatjes, zeggen
hier in dit boek is het net als daar, maar dan met inkt, net zoals
wij onbevolkte ansichtkaarten kopen van een winterzondag
als de Romeinen nog onder het dons warm draaien.
Toen nam je een holle zwarte spiegel mee, glas van Lorrain,
waarmee je een monument de verbeelding kon laten bevolken
en Romeinen, straten, priestermijters de coulissen in duwde.
Thuis zei je eigenlijk is het overal precies hetzelfde.

Bang waren de vaders wel, hoor. Hun jongens zouden
terugkomen als ketters en mietjes, hun nuchterheid
afgebrokkeld door Franse meneren, maniertjes
en kleurige operazangers met opgestoken pauwenveren.
Wat dan wel oogluikend werd weggezucht was zuipen
en neuken, wilde haren laten wapperen, familievermogens
opsouperen aan muskaatwijn en alimentatie. Eenmaal
thuis, wanneer zij onder het stijve linnen liefde bedreven
met misprijzende vrouwen, of trachten althans, met hun
aardappelgezichten en koude voeten, calvinistisch in
missionarishouding murmelen aan een hogere macht,
dan bood dat soelaas. Met Julia en Pia hield je het wel warm.
Met zo’n molensteenkraag is het moeilijk ademen.

Dit gedicht schreef ik voor de Nijmeegse Kunstnacht (zaterdag 23 september). Net als mijn proefschrift is het eigenlijk te lang.

Zelfhulp (in drie stappen)

Zelfhulp (in drie stappen)
We moeten wel. Tot bloedens toe
onze knokkels rammen tot we geen
weerstand meer voelen, tot het dood
is, of animeren als een hart, bot zien
grijnzen als gerooid goud in een
donkere mijnschacht. Liever dat
rood als oorlogsverf, dan pleisterwerk.

Dan zullen we maar door rood rijden,
meisjes in de trein beledigen, plaatsen
eisen als eksters gierig naar zilverwaar,
meningen ontleden tot we weke delen
raken en zachte rot ruiken, ophef
afroepen met vochtige oksels,
onomfloerste spraak, ja kogels.

Laten we het verleden niet langer aanhalen
als een bonsaiboom, scharen en takken
scherpen aan vingertoppen, maar
met wortel en al in de groenbak flikkeren.
Ruim de vensterbank van bladschilfers,
potgrond waarin we niet langer aarden.
Sla gelijmde terracotta tot gruis.

Dan maar zo. Zet een zonnebril op,
dwing het volume op je oortjes omhoog
alsof je semtex laat ontploffen of morfine
uit je katheter dwingt. Gil mee tot
je stem tegen de branding slaat. Besef
er zullen gewonden vallen, misschien
wel doden. Soit.

Turner

Turner

Op deze leeftijd had mijn moeder
al een man, kind en koopwoning.
Ze had een Volvo met bevlekte achterbank,
waar o.a. twee Dalmatiërs, een gebarsten
fles Shiraz en mijn vader debet aan waren.
Ze had een norse schoonmoeder die trefzeker
als de Titanic op een huwelijk afstevende,
met het aplomb van klotsend ijs
pragmatiek en wittebrood snerpte.
Ze had de eerste onsjes zitvlees,
krullend haar en/of speels telefoondraad
dat ze tussen haar vingers liet glijden,
een niet zo verborgen verliefdheid voor Toto,
en meters, kilo’s, liters polaroid.

Ik — man, zesentwintig — weet daarentegen
niet of ik eerst gaatjes moet prikken
in het folie van mijn magnetronmaaltijd.

Misschien is dat volwassen zijn
toch maar pose.


Ik heb het over deze Turner.

Fuckboy

Fuckboy

Kevin swipet ritmisch de meisjes
naar rechts, alsof hij dollarbiljetten
uitdeelt aan strippers. Complimentjes,
gevatte oneliners, ja, hij kan naar Amsterdam
komen, hij heeft ov, dickpics, aubergine,
vuist, spetters, spetters, spetters,
of hij kinks heeft, ja, creampies!, emoji
met hartjes waar ogen horen te zitten.

De blondjes in bikini superliket hij met twee
vochtige vingers naar boven, een screenshot
voor later gebruik. De lelijken worden
met een achteloze haal naar links
verbannen of beveelt hij om te kutten aan
bij een vriend. #vissenvoer.

De vis in de kom op het bureau kijkt
hem bij ieder rondje verwijtend aan,
rechtsboven verspringt een nummer achttien
naar een nummer negentien. Hij heeft Happn
even uitgezet omdat deze locatie geen goede
conversation starter is. De twee meisjes
in de hoek fluisteren en kijken weg.
Op Tinder voegt hij een skifoto van vier
jaar geleden toe. Plus eentje van zijn pecs.

Het meisje met de paardenstaart is nu
op kruishoogte, kijkt geconcentreerd
naar zijn pik. Hij onthoudt de naam
op haar blouse en kreunt zachtjes
als ze met geoefende hand ritmisch
een wattenstaafje door zijn plasbuis roert.


Dit vieze gedicht schreef ik voor het Nijmeegse Boekenfeest. Het thema was Verboden Vruchten. Ik schrijf ook niet-vieze gedichten.

Heldere schermpjes

Heldere schermpjes

Er zijn 7.046.000.000 mensen op deze planeet
en de meesten van ons hebben het lef te denken dat we er toe doen.
Heb je gehoord over die cabaretier die het loodje legde?
Iemand trapte hem op zijn hart, gewoon een pets,
maar hij kantelde voorover strijdend in maliën van grappen.
Heb je gehoord over de scenarist die overleed?
Hij verkocht een verhaal en de lift bleef halverwege steken.
Hij moest geplette boterhammen eten die ze door het deurgat schoven
en tot zijn dood hetzelfde suffe filmscenario herhalen over pratende honden.
Heb je gehoord over de visser die stierf?
Hij sprong niet van de rand:
hij liep de lucht in en trok de grond naar zich toe
alsof hij een lijn uitwierp en viste naar asfalt.
De aarde is een trom en hij raakt hem op de maat.

De reden dat er mist in Rotterdam is, is dat, als we de sterren kunnen zien,
als we de context kunnen zien van het universum waarin we bestaan
en als we kunnen zien hoe klein ieder van ons is
ten opzichte van de uitgestrektheid van wat we niet weten
dan niemand ooit nog auditie zou doen voor een McDonald’s-reclame.
En wat hebben we dan?
Geen diepvriesmaaltijden en geen tv.
Is dat een wereld waarin we willen appen?
Of iemand heeft net popcorn in de magnetron gestopt
of het is het geluid van duizenden die in sneltreinvaart hun hoofd uit het zand steken.

Mensen sjokken voorover in Den Haag.
Ze maken apps en webwinkels in Amsterdam.
Ze grijnzen in Hilversum alsof ze vishaken in hun mondhoeken hebben,
maar ze schilderen me niet af als de held, want telkens als ik schrijf,
mag ik de kant kiezen vanwaar je me ziet en ga ik het voor beste licht.
Je zou met niet respecteren als je de typemachine hoort kwetteren, tik tik
tikkend door mijn hoofd in de nacht,
dezelfde grijsgedraaide band van een sitcomdialoog
en rafelige herinneringen aan een meisje van de middelbare dat ik mocht vingeren,
voorzichtig vastgelegd op rijstpapier.
Mijn hart is een kleurenpotlood, maar mijn brein is een gum.
Ik wil geen echt meisje, ik wil haar vinden uit een catalogus.

Als puntje bij paaltje komt, houd ik je er niet onder,
want mijn ziel is een overvolle metro
en de mensen beslissen steeds om de volgende te pakken die door de stad cirkelt.
Ik doe mee aan een nepbeweging in Amsterdam,
ik frons en buig voorover in Den Haag,
ik glimlach in Hilversum omdat ik vishaken in mijn mondhoeken heb
en ik feest in de weekenden,
want er zijn 7.046.000.000 mensen op de planeet
en ik heb het lef te denken dat ik er toe doe.
Ik weet dat het een leugen is, maar ik verkies het boven het alternatief,
want ik heb een tourniquet om mijn elleboog gebonden,
ik heb een vloeitje gevuld met complimenten dat ik oprook.

Je zegt dat ik moet slapen, maar ik loop al van kindsbeen af aan tegen kamermuren op.
We zijn elke leeftijd tegelijkertijd en in elkaar genesteld als een Matroesjkapop.
Mijn moeder is een achtjarig meisje,
mijn kleinzoon is een vierenzeventigjarige AOW’er met nierfalen
en dat is de lijm tussen jou en mij: dat zijn de schroeven en de spijkers.
We wonen in een huis gemaakt van elkaar
en als dat vreemd klinkt, is het omdat het dat is.
Laat alsjeblieft de tijd stilstaan zodat ik ieders zakken binnenstebuiten kan keren
en onthoud: je zag helemaal niets.


Dit is een poging tot een vertaling van Watsky’s Tiny Glowing Screens, Pt. 2.

Monochroom

Monochroom

Het gaat desalniettemin goed met ons.
De vloeren blijven hoe dan ook aangeveegd
en dragen een zweem van citroen of munt,
de steriliteit, en daarmee zekerheid
van de huisartsenpost waar wij als kinderen
onze geschaafde knieën en lippen botvierden.
Zij werken hier niet meer.

We spreken weleens, af en toe, weliswaar
vaker aan de telefoon of in een kort bericht
dan van man tot man. Als het erop aankomt,
groeten we elkaar op straat.


Op stations wordt altijd hetzelfde nummer van Yann Tiersen gespeeld. Daar zou verandering in moeten komen.