Zweet

Zweet
Er wordt hier nu gezweet.
Het koelvak is stuk geraakt en
het gezoem dat routineus een
aantal graden boven nul afdwong,
is komen te liggen als de krekels
die uit respect voor de zonsopgang
hun sleutels van zeisen rusten.

Op de huid dreigen al druppels,
als honing dat uit de raten lekt
en plagerig van lijmerigheid
aan de bodem van de korf likt.
Klamme handen bedaren zich
op het schort, gelig van zweet
en de kazen die men snijdt.

Gaten in de emmenhaler lopen vol
als de bergpoelen van zijn heimat;
pecorino brokkelt met ijsberen
en al de zee in; de roquefort klopt
met spataderen die als gifslangen
zich vastbijten aan een saaie gouda;
de camembert, een volgezogen spons,
drapeert zich gelaten over de vitrine.
Er wordt hier nu gezweet.

Er wordt zelden gezweet door blokjes kaas.

Advertenties

Rumsfeld

Rumsfeld
Het leven is te lezen
als een blinde vlek
tussen twee wagens.
Dat geeft te zeggen:
als de vraag tussen
twee uitkomsten die
je toen in canon over
het springtouw zong.

Idem. Het is een landkaart
waarop (je) een vrouw
een rechte weg verliest.
Het oosten waakt onder
aangekriebeld struikgewas;
west met dito tromgeschal.

Middenin gaapt een sahara
zich lui uit, schept bedoeïen
van de baan en reikt ruimte
aan liefde en perspectief aan.
Waar je wimpers klonteren
met zand en wetenschap
daar schijnt een karavaan.

Donald Rumsfeld (º1932) is politicus en dichter.

Down the hall and to the left

Down the hall and to the left
Wat hebben we het klagen toch gemist,
het mogen samenklonteren in laagjes trui
om in bariton te ronken over de donkerste dag.
Dat de nachten dan statistisch wel korten,
maar dat we het zelf nog niet zo voelen mogen,
in de politiek noch in de portemonnee.

Met trillend bestek hongert oma nog even na
aan tulpenbollen en zalft mijn oom met het mirre
van een bijbelkoning dat er binnen deze grenzen
toch maar twee typen buitenlanders zijn. Papa
verklaart tussen een kransje door de muziek
dood, dat er op een riff na weinig leven in de diepte
galmt en dat na Freddy pop wel vel over been is.

Nu kan het nog, tussen de drilpudding door,
dessert even labiel als ons familiegestel.
Straks is de buit binnen, de wijn op, ontwaken
we tijdens de eerste helft van Home Alone II:
dat er geschiedenis is, misstanden, een president
die in de hotellobby trots de weg wijst. Dat het klagen
met de eerste nieuwe kerstkaart weer zalig mag aanvangen.

Bij Kerst hoort Home Alone en bij Home Alone hoort deze man.

Animagi

Animagi
Ken je dat — de avondspits, vochtige
paraplus’s, je eigen kleine hellecirkel
afgedwongen met zuinige lippen en cynisme
dat uit je poriën lijkt te nevelen?
Dat het craquelé van je huid langzaam
uitscheurt, aan gewicht wint en vergrauwt
als een huis waar toen veel gerookt is.
Dat er rek in je neus zit, het zich uitstrekt
als zachte karamel, een slurf uitschuift
als een trombone en schel een olifant zijn
eigen stampij afkondigt in de tweede klas.

Of dat je op de dansvloer — al dan niet
na twee wodka sisi — de sociale rangorde
verstaat: daar drinkend in het maanlicht
van de stroboscoop prooi, hier in skinny jeans,
bloed bevlekte sneakers, lange tanden roofdier.
Dat je dan de wind voelt in de baardstoppels,
vingernagels naar voren tasten, je ogen vernauwen
om aan te vallen op alle kleuren van de discobol.
Dat je keel verhardt met een leeuwenbrul en je
met een val op vier poten en een staart je liefde rooft.

Of het allermooiste — dat boeken je schutkleur
worden, dat je huid zich soepel rijgt aan de luxe
kalfsleren kaften van je boekenkast, dat zelfs je
huid geurt naar droesem, regen en het zoete
vanille van mariakaakjes. Dat je zelfs onbedoeld
de koffievlekken projecteert op je sleutelbeen,
de ezelsoren in je haarlijn, de potloodstreken.
Dat je als kameleon met je tong in de lucht proeft,
aan alles voorbijschiet, dat huiswerk en familie-
verjaardagen in een andere wereld rusten en resten.

Dat je je mens afschudt als een wintervacht
en je dan even doet als je dier is.

Tijdens het Buiten zinnen-festival mocht ik een minihoorcollege geven over Harry Potter en fan fiction. Het tofste idee van Rowling is dat mensen op commando in een dier kunnen veranderen

Theseus

Theseus
Op mijn twaalfde verloor ik een horloge aan
de Egeïsche Zee. Doorgaans sleurt het wijn,
goede bedoelingen, raketjes en vakantieliefdes
mee, maar nee, ik verloor mijn vaders horloge.
Waterbestendig tot vijfendertig meter zal het
de eerste golfslag nog koppig hebben meegetikt.

Zend dat aandenken dan op z’n minst per fles,
zul je zeggen, zoals meisjes met glitters en vetkrijt
een missive over een eerste kalverliefde de zeestraat
over schreeuwen en voor jongens de daad zélf
belangrijk is, bovenhands aan de hals een boodschap
naar de overkant pasen en hopelijk een vogel uit de
vlucht slaan — meeuwengekrijs ontvangstbevestiging.

Mocht de drenkeling na twintig jaar nog aanspoelen
op een Grieks rotsstrand dan is het gedeukt, verder
gaaf wrakhout; geen gezouten rivierlijk aangevreten
door tijd en zeegras. Zoals een gebroken uurwerk
in film noir het tijdstip van de moord signaleert,
slibben op de datum en tijd van mijn vaders horloge
verbrande enkels, zandkastelen en familiefoto’s aan.

Ook dit gedicht werd voorgelezen op een boot. 

De Groote Tour

De Groote Tour
Toen was reizen nog voor de rijken, voor papkinderen
die met een gouden lepel in de mond specerijrijk aten,
in speciën betaalden voor medaillons met lobbige wangen
en op de beursgang stuivers tot florijnen verzilverden.
Men zei en hoopte graag dat het toch vormen zou:
dat een goeie tongval, fijne tred, op de kop getikte snuiftabakdoos
en her en der wat geschiedenis — lees: hoopjes rook en ruïne —
een cv wollig zouden aankleden voor een frisse toekomst.

Wat de buit was? Het herkennen van de plaatjes, zeggen
hier in dit boek is het net als daar, maar dan met inkt, net zoals
wij onbevolkte ansichtkaarten kopen van een winterzondag
als de Romeinen nog onder het dons warm draaien.
Toen nam je een holle zwarte spiegel mee, glas van Lorrain,
waarmee je een monument de verbeelding kon laten bevolken
en Romeinen, straten, priestermijters de coulissen in duwde.
Thuis zei je eigenlijk is het overal precies hetzelfde.

Bang waren de vaders wel, hoor. Hun jongens zouden
terugkomen als ketters en mietjes, hun nuchterheid
afgebrokkeld door Franse meneren, maniertjes
en kleurige operazangers met opgestoken pauwenveren.
Wat dan wel oogluikend werd weggezucht was zuipen
en neuken, wilde haren laten wapperen, familievermogens
opsouperen aan muskaatwijn en alimentatie. Eenmaal
thuis, wanneer zij onder het stijve linnen liefde bedreven
met misprijzende vrouwen, of trachten althans, met hun
aardappelgezichten en koude voeten, calvinistisch in
missionarishouding murmelen aan een hogere macht,
dan bood dat soelaas. Met Julia en Pia hield je het wel warm.
Met zo’n molensteenkraag is het moeilijk ademen.

Dit gedicht schreef ik voor de Nijmeegse Kunstnacht (zaterdag 23 september). Net als mijn proefschrift is het eigenlijk te lang.

Zelfhulp (in drie stappen)

Zelfhulp (in drie stappen)
We moeten wel. Tot bloedens toe
onze knokkels rammen tot we geen
weerstand meer voelen, tot het dood
is, of animeren als een hart, bot zien
grijnzen als gerooid goud in een
donkere mijnschacht. Liever dat
rood als oorlogsverf, dan pleisterwerk.

Dan zullen we maar door rood rijden,
meisjes in de trein beledigen, plaatsen
eisen als eksters gierig naar zilverwaar,
meningen ontleden tot we weke delen
raken en zachte rot ruiken, ophef
afroepen met vochtige oksels,
onomfloerste spraak, ja kogels.

Laten we het verleden niet langer aanhalen
als een bonsaiboom, scharen en takken
scherpen aan vingertoppen, maar
met wortel en al in de groenbak flikkeren.
Ruim de vensterbank van bladschilfers,
potgrond waarin we niet langer aarden.
Sla gelijmde terracotta tot gruis.

Dan maar zo. Zet een zonnebril op,
dwing het volume op je oortjes omhoog
alsof je semtex laat ontploffen of morfine
uit je katheter dwingt. Gil mee tot
je stem tegen de branding slaat. Besef
er zullen gewonden vallen, misschien
wel doden. Soit.