Haakse slijp

Haakse slijp

Wie bouwt er nooit eens luchtkastelen
van vernis, staalwol en oud ijzer?
Steeds weer bezingen we vogels, die
van diverse plamuur in de rui zijn
en van sleetsheid eigen nest bevuilen.

Er moeten toch ook waterpomptangen
kunnen hangen, daar in de poëzie?

Je wilt kunnen zingen over vonken
en houtkrullen regendansen, verhalen
over zwaluwstaarten die ineengrijpen
als het plot, in specie betalen voor
odes aan jong zijn en ouder worden.

De boomcirkels van je leven zijn toch
beter te snijden met een haakse slijp.

Dit is een ode aan de haakse slijp.

Ik ben bekwaam

Ik ben bekwaam
Ik heb met succes parkeerboetes vermeden met mijn uitstekende retorische vaardigheden. Ik ben de aangewezen persoon als je je bus moet fileparkeren. Ik rijd met levensvreugde in een gezinsauto van kwaliteit. Ik ben voor een kleine overheid, lage belastingen, ondernemerschap, ik stem FvD.

Ik ben een bekwaam mens.
Ik ben competent.

Met klantenkaarten bespaar ik voldoende om twee keer per jaar op stedentrip te gaan. Dat alles naast onze vaste familievakantie, twee weken Gran Canaria. Ik ben overal voor verzekerd, dus tuig kan mij niets maken. Ik ben een hardwerkende en efficiënte zakenman. Mijn bazen houden van me.

Maar jij bent de weg kwijt, denk ik zo. Ja, je kijkt wat beduusd.

Ik voer zelf thuis reparatieklusjes uit die niet onderdoen voor die van een professional. Ik maak een simpele doch voedzame maaltijd en ik drink uit een pul. Als mijn zoon homo zou zijn of een zwart meisje mee naar huis zou nemen, zou ik dat in orde vinden. Dat spreekt natuurlijk voor zich, maar ik wil voor de goede orde wel zeggen dat hij geen homo is. En geen zwart meisje date.

Ik ben een tolerant mens.
Ik ben verdraagzaam.

Je kijkt wat beduusd. Volgens mij ben je de weg kwijt.

Er was wat gedoe een paar jaar terug, maar dat hoef ik eigenlijk niet te zeggen. Een milde existentiële crisis, een kleine depressie. Na zes weken huilen keek ik in de spiegel en zei ik: “Kom op, ophouden met die flauwekul, je bent een kampioen.”

Ik was een kwetsbare man.
Zijn wij allemaal zo gevoelig?

Maar jij bent de weg kwijt, absoluut. Ja, je kijkt wat verward.

Dit is een vertaling van dit.

Depressief januarigedicht (1)

Depressief januarigedicht (1)
Maar het is hard werken om in je eentje
de wereld te herscheppen. Liever blijf je
nog even ademen, kijk je met slaap in
de wimpers naar waar het matras doorbuigt,
versta je verkeer en bouwwerkzaamheden
als een oud kussengesprek.

Vrienden blijken banen gekweekt,
volgen cursussen om beter te kunnen,
staan bol van energie en kinderen.

Vooralsnog is het voldoende om een
boek te lezen, te rennen, de stofzuiger
over het tapijt te halen verzadigd van zand en
goede bedoelingen. Het is hard werken om
in je eentje de wereld te herscheppen.

De bazen van de speeltuin

De bazen van de speeltuin
Zij zijn de bazen van de speeltuin, zij
regeren in ’t zachte chroom van de glijbaan.
De zon verleent hun een stralenkrans
en smelt koetjesrepen, liga’s als zegelwas.
Vanuit de hoogte verdelen zij percelen
zandbak aan horigen en hongerigen.

Op zijn wipkip kraait de hofnar naar
omhoog, waar edelen op schommels jaknikken
en met snerpende boeien en geschop
steeds harder gaan, loslaten, spartelen,
gillen en met een lange sprong voorwaarts
de kiezels in hun knieën schaven.

Op het veldje daarachter, waar een bal
van lompen leer en vastgeklonken modder
shirts bevuilt als het grauw van dit land,
mompelen wij een opstand, beramen iets over hoe
altijd tirannen en beklimmen met sluik haar
en manieren steels de trap achter de troon.

Een autoreis naar Garda

Een autoreis naar Garda
Er zijn hier log zeeschildpadden gestrand,
op het slib gespoeld met algen en wier.
Wegen werden aangelegd: eerst ’t zand
voor pelgrims, olifant, een kuddedier.
Daarna asfalt met zijn tol en zwijggeld.

Op dit beest zijn ook hekwerken gepoot:
in de auto verglijdt een zerkenveld
voor de minder gelukkigen, die dood
zijn of filerijden: het is gelijk.
De bergen waken. Pas op, wij eisen.

Uit dit voorgeborchte komt een zeerijk,
waarover zo’n duizend meeuwen krijsen,
veren verspreiden en lui laveren
naar een schiereiland, een zandkasteel
als fort waar tijd en toeristen verweren.

De camping kent bij nacht een ritueel:
zaklamplichten werpen een noodsignaal
op naar koude kusten. Batterijen
haperen ontevreden hun morsetaal
naar muggen die op ons bloed gedijen.

In de ochtend gaat het geheimschrift door.
Met schrille fluittonen ontsnapt er damp
uit onze tenten, beslaat een dauwspoor.
Men zet thee met suiker en chloor in ons kamp,
dat doet denken aan zwembad met earl grey.

De slagers en supermarkten zijn vreemd,
maar ons vertrouwd door die vreemdheid doorsnee:
taal verwordt dialect dat angst wegneemt.
Burro, pane, latte zijn zegeningen
in ’t Latijn van onze boerengrootouders.

Kiezels die we van u aan ’t strand ontvingen,
snijden het werkeelt van onze schouders:
een pond vlees voor de campingleiding.
Het water brandt dan, zuivert en loutert,
even goed als een hagelbui van boven.

Als kind vierden wij vakantie aan het Gardameer, tijdens mijn studie moest ik over Bertus Aafjes lezen.

Route 66

Route 66
Kon je de wereld maar als vroeger
uitvouwen als een landkaart.
In de achterzak van je jeans waaierden
staten in harmonica vredig uit
en in met iedere stap op straat.

Koffiekopkringen drukten zich uit
als graancirkels in Oklahoma, waar
tractors in de oogst profeteerden;
zout erodeerde in brokken puimsteen
in de ketchupvlek rode zee.

Op een dag wrikken er piepend
rode punaises in het prikbord van
Hanoi en Nice, wordt een kronkellijn
op het dashboard van hogerhand
getrokken route voor het tanken.